02 oktober 2018

Nu ken ik Zwolle echt

Nee, het was niet altijd gemakkelijk. Jean schudt zijn hoofd. Sinds drie jaar verblijft de 27-jarige Rwandees nu in Nederland. “Ik kende de taal niet, de cultuur niet en de mensen niet.” Ineens verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. “Meedoen met de Hartlopers heeft me veel gebracht. Heel veel.”

In de kantine van Windesheim doet hij zijn verhaal. Vrolijk kijkt hij de banken rond. Vrolijk ja, maar dat is wel eens anders geweest. “Ik had het moeilijk toen ik in Nederland kwam”, vertelt hij in vrijwel vlekkeloos Nederland. “Ik spreek de taal goed? Vindt u dat echt? Bedankt! Ik heb de laatste anderhalf jaar heel hard gewerkt om de taal beter onder de knie te krijgen.”

Dat ‘de taal onder de knie krijgen’ gebeurde in de schoolbankjes, maar net zo goed op straat. “Meer nog zelfs”, denkt hij. “Je moet natuurlijk wel iets van de taal begrijpen om te kunnen praten met mensen, maar als je de taal een beetje spreekt, moet je oefenen. Dan leer je het beter door naar buiten te gaan en met mensen te gaan praten dan uit een boekje.”

Het was een van de belangrijkste redenen om mee te doen aan Hart voor Zwolle. “De eerste anderhalf jaar had ik moeite om mijn weg te vinden, maar daarna ging het beter.” Jean ging aan de slag als meubelmaker bij Binthout, waar hij Herold leerde kennen. ‘Ga een keer mee hardlopen’, zei die tegen hem. Hij twijfelde. “Niet omdat ik dat niet durfde, maar omdat ik het hardlopen niet zo zag zitten. Ik deed aan crossfit, dat leek me leuker.”

Herold liet het er niet bij zitten en de tweede keer dat hij Jean meevroeg, besloot die mee te gaan. Hij was meteen verkocht. En dat was mede te danken aan zijn maatje Freddie, die regelmatig op zaterdag met hem een extra training afwerkte. “Ik heb veel van Freddie geleerd. Over hardlopen, over de taal en over de straten en geschiedenis van Zwolle. Hij is echt een aardige kerel. Geduldig. Hij probeerde mij echt te begrijpen. Ik heb veel aan hem gehad.”

Samen liepen ze zaterdag 9 juni de halve marathon. Eén uur en veertig minuten deden ze er over. “Snel? Ja, ik ben tevreden voor de eerste keer.” Jean lacht. “Maar het was wel een beetje druk. Ik heb vroeger ook wel eens een halve marathon gelopen, maar zo druk als het hier was, had ik het nog niet eerder meegemaakt. De eerste vijf kilometer was het lastig om je eigen tempo te lopen.”

Toch vond hij zijn eigen ritme naarmate de koers vorderde. Bekenden van hem stonden langs de kant te zwaaien en roepen, maar niet iedereen had hij gezien. “Ik zat in mijn focus.” Weer volgt er een vrolijke lach. “Volgens mij heb ik er daardoor wel een paar gemist.” Trainingsgenootjes bij de Hartlopers staken hem een hart onder de riem voorafgaand aan het evenement. “Als je twaalf kilometer kunt trainen zonder echt heel moe te zijn na afloop, dan kun je de halve marathon ook prima aan. Het is maar negen kilometer extra.”

Hij zou het lopen bij de Hartlopers iedereen kunnen aanraden, zeker mensen die in de dezelfde situatie als hij verkeren. “Iedereen die houdt van hardlopen natuurlijk, anders wordt het wel een eind.” Het is de reden waarom hij nog niet meer klasgenoten van het schakeljaar op Windesheim heeft meegenomen naar de loopgroep. “De meesten hebben niet zoveel met hardlopen. Maar ik kan hen zeker aanraden om zoveel mogelijk in contact te komen met anderen. Als je praat met mensen ga je je ook meer openstellen. En ook daar leer je weer van.”

Het is zijn levensmotto geworden; kijk naar wat je wel hebt, niet naar wat je mist. “Ik probeer er gewoon het beste van te maken. Ik speel met de pionnen die ik heb. Als ik niet bij Binthout terecht was gekomen, had ik Herold niet ontmoet. En als ik hem niet had ontmoet, dan had ik Hart voor Zwolle en de andere lopers weer niet gekend. Wie weet waar ik door die contacten weer terecht kom en wie ik nog leer kennen. Ik ben dankbaar voor alles wat ik mee maak. Het mooiste cadeau dat het leven me gegeven heeft, is het leven zelf.”